Restitutiebeleid van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika

Goedgekeurd door de directieraad van 31 januari 2020
  1. In het huidige debat over de restitutie van Afrikaans cultureel erfgoed neemt het KMMA een open en constructieve houding aan. Het neemt actief deel aan een dialoog met vertegenwoordigers van het museale beleid en van de overheid en met Belgen van Afrikaanse herkomst uit de betrokken landen. Het erkent dat het niet normaal is dat zo’n groot gedeelte van het Afrikaanse culturele erfgoed zich in het westen bevindt, terwijl de landen van oorsprong er eigenlijk de morele eigenaars van zijn. Het KMMA erkent ook dat zijn collecties voor een deel tijdens de koloniale periode werden verworven in de context van een politiek bestel van wettelijke ongelijkheid: mensen konden verplicht worden of onder druk gezet om objecten af te staan, stonden zwak om te onderhandelen over de prijs als ze objecten wilden verkopen. In de Onafhankelijke Congostaat werden sommige objecten verworven met methodes die toen in België onwettig waren, zoals plundering, gijzelneming of grafschennis. Dialoog met alle betrokken actoren is van cruciaal belang. Het KMMA stelt ter bevordering van deze dialoog de inventaris van zijn collecties ter beschikking. Het streeft ernaar om de inventaris van al zijn etnografische collecties en archieven online te plaatsen.
     
  2. Juridisch gesproken zijn de collecties van het KMMA het onvervreemdbare eigendom van de federale staat en behoren ze toe aan het federaal patrimonium. Een beslissing over restitutie kan enkel genomen worden door de federale minister voor Wetenschapsbeleid, binnen een strikt wettelijk kader, en vereist de goedkeuring van het parlement. Langdurige bruiklenen kunnen beslist worden door de algemeen directeur van het KMMA.
     
  3. Gezien het voor een deel van zijn collecties niet duidelijk is hoe en onder welke omstandigheden deze is verworven, zal het KMMA prioriteit geven aan herkomstonderzoek van zijn collecties. Ook Afrikaanse wetenschappers zullen, onder andere via een nieuw Scientist-in-Residence-program en het Visiting Scientist-programma, hieraan kunnen deelnemen.
     
  4. Er is nu nog een belangrijk cultureel erfgoed in Congo en Rwanda aanwezig en de betrokken landen vragen samenwerking met betrekking tot capaciteitsversterking. Het KMMA zal blijven investeren in capaciteitsversterking van Afrikaanse musea inzake collectiebeheer en -restauratie, opslag, digitalisering van inventarissen en archieven, en publiekswerking. Het heeft nauwe samenwerkingsverbanden met het Institut des Musées Nationaux du Congo (IMNC), de Rwanda Cultural Heritage Academy (de vroegere National Museums of Rwanda) en het Musée des Civilisations Noires (MCN) in Dakar. Met deze musea heeft het KMMA een uitgebreid vijfjarenprogramma van samenwerking rond beheer en restauratie van collecties, educatieve activiteiten en andere publiekswerking, digitalisering van inventarissen en archieven, en gemeenschappelijke en rondreizende tentoonstellingen.
     
  5. Om sneller en makkelijker toegang tot de collecties te kunnen verstrekken, zal het KMMA zijn inspanningen intensifiëren voor de digitalisatie van de archieven, foto’s en films die in zijn bezit zijn, om ze online beschikbaar te stellen en ze in digitale vorm aan de betrokken landen over te maken. Een pilootproject loopt momenteel met Rwanda. Een reizende tentoonstelling over Bantutalen-sprekende volkeren is momenteel in voorbereiding met MCN (Dakar) en CICIBA (Gabon).
     
  6. Het KMMA zal de bevoegde minister adviseren met betrekking tot de mogelijkheid tot fysieke teruggave van stukken mits een formele vraag van een erkende autoriteit en na een grondige studie van de manier van verwerving van gevraagde stukken. Stukken met een grote symbolische waarde voor de betrokken landen, alsook stukken die verworven zijn met geweld of plundering, zullen prioritaire aandacht krijgen. Het KMMA zal voor die prioriteitsstelling ook openstaan voor input en vragen hierover vanuit de diaspora, Afrikaanse academici en lokale gemeenschappen in de betrokken landen. Bij een pertinente en formele aanvraag voor restitutie zal de algemeen directeur van het KMMA een werkgroep oprichten met interne en externe wetenschappelijke experten van de betrokken collectie, vertegenwoordigers van de wetenschappelijke en publieksgerichte diensten van het KMMA, en betrokken vertegenwoordigers uit Afrika en van Afrikaanse diaspora’s in België. Deze werkgroep zal dan advies geven aan de federale minister voor Wetenschapsbeleid over de specifieke vraag.
     
  7. Recente evoluties van het Belgisch wettelijk kader m.b.t. restitutie
    (aangepast in oktober 2021)
    Momenteel bestaat er in België geen wettelijk kader voor restitutie. In 2018 had de voormalige federale staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Zuhal Demir aangekondigd hiervoor een werkgroep op te richten die een kader met duidelijke criteria voor mogelijke teruggave van collecties en van menselijke resten moet ontwikkelen. Hierbij zou voorrang worden gegeven aan collecties van groot symbolisch belang, of die afkomstig zijn van plunderingen of rooftochten, en aan teruggave van menselijke resten. Bijzondere aandacht zou ook gegeven worden aan de collecties die de nog bestaande verzamelingen in de betrokken landen vervolledigen en meer representatief maken. Enkele maanden na die aankondiging viel de regering en werd aan deze aankondiging geen concrete opvolging gegeven.
    In juli 2020 werd een Bijzondere parlementaire commissie opgericht 'belast met het onderzoek over Congo-Vrijstaat (1885-1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo (1908-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962), de impact hiervan en de gevolgen die hieraan dienen gegeven te worden'.
    Tijdens een persconferentie georganiseerd in het AfricaMuseum op 6 juli 2021 heeft Staatssecretaris Thomas Dermine zijn aanpak toegelicht van de restitutie van culturele voorwerpen die tijdens de koloniale periode uit Congo zijn geroofd.
    Om het probleem van de operationele kwesties in verband met de restitutie op te lossen en de symbolische kwestie zo snel mogelijk te regelen, heb ik de Belgische regering voorgesteld twee principes toe te passen:
    1. Het is van belang dat de vervreemdbaarheid van eigendom uit het koloniale verleden, d.w.z. eigendom dat in de periode 1885-1960 werd verworven, met het oog op de teruggave wettelijk wordt erkend. Het juridische karakter van de vervreemdbaarheid houdt symbolisch in dat - bij gebreke van zekerheid over de gevolgen van het bezit van deze voorwerpen door België - deze voorwerpen met het oog op de restitutie kunnen worden vervreemd. Dit is dus een eerste vereiste om de herkomststudies op een serene manier aan te pakken en de wetenschappelijke kennis over deze voorwerpen te vergroten.
    2. De voorgestelde aanpak is in de eerste plaats bedoeld om een dialoog met de autoriteiten van de Democratische Republiek Congo op gang te brengen, om een kader te bieden waarin de restitutie van de juridische eigendom van alle goederen waarvan uit een herkomstonderzoek blijkt dat het bezit door België illegitiem is, te faciliteren. Deze overdracht van de juridische eigendom moet onmiddellijk plaatsvinden, ongeacht of er al dan niet een vordering tot materiële restitutie is ingesteld. Met deze overdracht van het juridisch eigendom wordt erkend dat de wettige eigenaar - de Congolese staat - het recht heeft om materiële restitutie te vragen, op basis van een versterkte wetenschappelijke en culturele samenwerking. Ik zou dit kader samen met mijn Congolese collega’s willen opbouwen en het laten berusten op een gezamenlijke wetenschappelijke commissie die wetenschappers uit onze beide landen bijeenbrengt.

    De Staatssecretaris is van plan om dit restitutiebeleid vanaf begin 2022 te operationaliseren.